Waarom het afschaffen van de subsidie voor niet-doelgroeppeuters een slecht idee is

Raadslid Pieter de Vos
Binnen de gemeente Bunschoten ligt een motie voor om de consequenties van het schrappen van de subsidie voor niet-doelgroeppeuters in kaart te brengen. Hoewel onderzoek op zichzelf waardevol kan zijn, vinden wij het ongepast om juist deze regeling ter discussie te stellen. Het gaat hier immers om een relatief beperkte uitgave van €50.000 per jaar voor slechts 15 peuters, maar met een grote maatschappelijke impact voor kinderen en gezinnen die vaak al in een kwetsbare positie verkeren.
Een kleine regeling met grote betekenis
De regeling voor niet-doelgroeppeuters is bedoeld voor kinderen van ongeveer 2 tot 4 jaar die geen indicatie voor Voorschoolse Educatie (VVE) hebben, maar waarvan de ouders ook geen recht hebben op kinderopvangtoeslag. Hierdoor vallen zij tussen wal en schip: zij komen niet in aanmerking voor landelijke regelingen, terwijl zij vaak wel ondersteuning nodig hebben.
In de praktijk gaat het regelmatig om gezinnen met een chronisch zieke ouder, gezinnen met beperkte financiële draagkracht of gezinnen die om andere redenen niet aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoen. Juist deze gezinnen hebben vaak te maken met extra zorgen en uitdagingen. Voor een bedrag van €50.000 per jaar helpt de gemeente 15 peuters. Dat komt neer op ongeveer €3.300 per peuter per jaar. Ouders betalen daarnaast een inkomensafhankelijke eigen bijdrage, waardoor de regeling niet volledig door de gemeente wordt bekostigd.
Meer dan alleen opvang
Peuteropvang is veel meer dan alleen een plek waar kinderen een paar uur per week verblijven. Kinderen leren er omgaan met leeftijdsgenootjes, ontwikkelen sociale vaardigheden, vergroten hun woordenschat en wennen aan een gestructureerde omgeving. Dit draagt bij aan een goede start op de basisschool.
Wanneer deze regeling wordt geschrapt, bestaat het risico dat sommige kinderen helemaal geen gebruik meer kunnen maken van peuteropvang. Daarmee verdwijnen juist de preventieve voordelen die deze vorm van ondersteuning biedt.
Vaak wordt pas zichtbaar hoeveel waarde preventie heeft wanneer deze verdwijnt. Een kind dat vroegtijdig extra ontwikkelingskansen krijgt, heeft mogelijk later minder ondersteuning nodig vanuit onderwijs, jeugdzorg of andere gemeentelijke voorzieningen. De beperkte investering van nu kan daardoor grotere maatschappelijke kosten in de toekomst voorkomen.
De menselijke maat
Gemeenten hebben uiteraard de taak om zorgvuldig met publieke middelen om te gaan. Tegelijkertijd hebben gemeenten ook de verantwoordelijkheid om oog te houden voor de menselijke maat. Niet alles wat niet wettelijk verplicht is, is automatisch overbodig.
De regeling voor niet-doelgroeppeuters is daarvan een goed voorbeeld. Het betreft geen grote groep kinderen en de kosten zijn overzichtelijk. Juist omdat het gaat om kwetsbare gezinnen die vaak weinig alternatieven hebben, is het belangrijk dat de gemeente hen niet verder benadeelt.
Voor veel gezinnen vormt de peuteropvang bovendien een belangrijke vorm van ontlasting. Wanneer één van de ouders langdurig ziek is of wanneer er sprake is van andere sociale problematiek, kunnen enkele uren opvang per week een groot verschil maken.
Daarnaast moet niet worden onderschat welk signaal het starten van een onderzoek naar afschaffing afgeeft aan de betrokken ouders. Alleen al het bespreekbaar maken van het schrappen van deze regeling kan onrust en onzekerheid veroorzaken bij gezinnen die vaak al dagelijks te maken hebben met financiële, sociale of medische uitdagingen. Ouders die afhankelijk zijn van deze ondersteuning kunnen zich afvragen of zij de opvang van hun kind straks nog wel kunnen betalen en welke gevolgen dit heeft voor hun gezin. Juist voor deze kwetsbare groep is stabiliteit belangrijk. Het onderzoeken van bezuinigingen op een voorziening waar zij op vertrouwen, zonder dat er op dit moment een noodzakelijke aanleiding voor is, kan leiden tot onnodige zorgen en onzekerheid.
Een tijdelijke discussie
Daar komt nog bij dat de landelijke financiering van kinderopvang op korte termijn ingrijpend verandert. Vanaf 1 januari 2029 betaalt de overheid naar verwachting 96% van de maximum uurprijs rechtstreeks aan kinderopvangorganisaties en gastouderbureaus. De vergoeding wordt dan voor alle ouders gelijk en is niet langer afhankelijk van het inkomen. Ouders betalen alleen nog een beperkte eigen bijdrage.
Hierdoor zal de problematiek waarvoor deze gemeentelijke regeling nu bestaat grotendeels verdwijnen. Het is daarom de vraag of het verstandig is om juist nu een discussie te starten over het afschaffen van een voorziening die over enkele jaren mogelijk niet meer nodig is.
Samenwerking met lokale aanbieders
De gemeente werkt momenteel samen met twee aanbieders:
Deze organisaties bieden peuteropvang aan voor zowel doelgroep- als niet-doelgroeppeuters. De bestaande samenwerking zorgt ervoor dat kinderen in een vertrouwde en professionele omgeving kunnen deelnemen aan een passend aanbod van maximaal acht uur per week.
Conclusie
Voor een relatief beperkt bedrag van €50.000 per jaar biedt de gemeente Bunschoten 15 peuters een belangrijke ontwikkelkans en ondersteunt zij gezinnen die vaak al met grote uitdagingen kampen. Het schrappen van deze regeling raakt juist de inwoners die het minst in staat zijn deze kosten zelf op te vangen.
Daarom vinden wij het onwenselijk om deze regeling nu ter discussie te stellen. De maatschappelijke opbrengst, de preventieve werking en de ondersteuning van kwetsbare gezinnen wegen ruimschoots op tegen de beperkte kosten. Bovendien komt er vanaf 2029 een nieuw landelijk financieringsstelsel waardoor deze problematiek naar verwachting grotendeels wordt opgelost.
Tijdens de behandeling van de motie reageerde de wethouder naar onze mening te kort en onvoldoende invoelend op de mogelijke gevolgen voor de betrokken gezinnen. Wij vinden dat hij had moeten begrijpen dat alleen al een onderzoek naar het afschaffen van deze regeling onrust kan veroorzaken onder ouders. Voor gezinnen die afhankelijk zijn van deze ondersteuning voelt een dergelijk onderzoek al snel als een eerste stap richting afbouw of beëindiging van de regeling. Juist daarom hadden wij verwacht dat de wethouder de gemeenteraad zou wijzen op deze maatschappelijke gevolgen en de motie niet positief zou adviseren. Besturen is immers meer dan het beoordelen van financiële effecten; het vraagt ook oog voor de impact van besluitvorming op kwetsbare inwoners.
Wij roepen de indienende partijen daarom op om deze discussie niet verder aan te jagen en de bestaande regeling in stand te houden totdat duidelijk is welke gevolgen de landelijke hervormingen daadwerkelijk zullen hebben. Uiteindelijk gaat het hier niet alleen om cijfers, maar vooral om kinderen die een goede start verdienen en gezinnen die een helpende hand nodig hebben.